Ik weet het niet zo goed

Ik had besloten om het me deze zomer makkelijk te maken. Geen zin in lange autoritten. Vandaar de keuze voor een eenvoudige boerencamping in Twente op een luttele drie kilometer van mijn familie. Bij een dagje regen zouden we vast wel kunnen bivakkeren in het huis van mijn zus en aan mijn lieve moeder zou ik vast een boodschappenlijstje kunnen appen. De boerencamping is exact wat je van een boerencamping verwacht: een veldje met wat ruimte voor caravans en tenten en verder een varken, wat paarden en kippen. Een lege boerenschuur is gevuld met een grote trampoline en wat skelters. Dit blijkt een magische aantrekkingskracht te hebben op mijn kinderen en alle andere soortgenoten van hen op de camping. Het geeft mij wat ruimte om te lezen.

Op dag twee besluiten we met elkaar te gaan zwemmen in een grote recreatieplas op loopafstand. Ik ben zwemkleding aan het verzamelen wanneer Sven (10) plotseling komt aanlopen vanuit de boerenschuur. Hij is heel rustig, maar ziet er uit als een horroracteur in de allerslechtste Childplay’s film die je je kunt voorstellen. Zijn gezicht en shirt bestaan uit een bloederig tafereel.

“Pap, ik heb denk ik wat bloed”.

Ik schrik enorm, maar toon het niet en loop meteen liefdevol met hem naar het toiletgebouwtje. Sven is na een salto op de trampoline doorgeschoten en heeft daarna zijn voorhoofd tegen een scherpe betonrand geparkeerd. Onder een lauwe straal water spoel ik alles schoon zodat ik het geheel beter kan beoordelen. In de afvoer van de wastafel lijkt het alsof ik er drie flessen Pinot Noir in loos. Ik schrik me dood wanneer er net onder zijn haargrens een enorme wond verschijnt. Wederom blijf ik de rust zelve. Doorgaans is mijn strategie dat tijd alle wonden heelt waardoor ik ongelukjes vaak wat bagatelliseer. Tegen de tijd dat de kinderen dan weer naar hun moeder gaan is het leed dan vaak alweer vergeten en kraait geen haan er meer naar. Dit keer kom ik er niet onderuit en is duidelijk dat ik snel naar een huisarts moet. Als een volleerde crisismanager stuur ik Mees naar de tent om het portemonneetje met alle pasjes te halen dirigeer ik de rest naar de auto. Sven voorin met tegen zijn hoofd een prop pleepapier. Wanneer Mees mij het mapje geeft ga ik naarstig op zoek naar Svens zorgpasje. Het blijkt er niet te zijn. Nu pas breekt me het angstzweet uit want ineens komt het nuchtere besef dat het pasje nog in de portemonnee van Marleen, mijn ex-partner, moet zitten en ik haar dus moet gaan bellen. Zij is arts, overbezorgd en heeft bizar weinig adrenaline nodig om van de leg te raken. Terwijl ik de maximum snelheid zonder enige schroom overschrijd, besluit ik dat ik Sven eerst aan goede handen moet overdragen voordat ik Marleen ga bellen. In de auto vraagt Sven me op een timide toon wat de dokter dadelijk met hem gaat doen. Ik zeg dat de dokter gaat kijken naar zijn hoofd en misschien wat gaat hechten maar vooral dat het allemaal best mee zal vallen en eigenlijk niets voorstelt.

Bij de praktijk aangekomen vraagt de assistente ons om even plaats te nemen in de wachtruimte. Dit is dan het moment dat ik besluit om Marleen te gaan bellen. Ik zou hier het liefst nog een paar dagen mee wachten maar heb toch echt het nummer van Svens zorgpasje nodig. Ik bel liever met een bericht dat het hier allemaal ‘ziek vet’ is. Hoewel ze druk aan het werk is, neemt ze meteen op. Eigenlijk neemt ze altijd binnen twee seconden op wanneer ik bel en de kinderen bij mij zijn. Ik weet eigenlijk niet zo goed hoe ik de situatie moet aanvliegen en stamel wat over een lullig ongelukje en ‘even voor de zekerheid naar de huisarts’. Ik krijg niet meer de gelegenheid om verder te oreren over potjes Uno en de onzekere weersverwachting. Ze wil Sven graag zelf ook beoordelen en vraagt me om facetime in te schakelen. Ik voel mijn kansen op een eenvoudig geruststellend babbeltje verkleinen wanneer haar facetime verzoek binnenkomt. Ik zie haar bezorgde blik boven haar witte doktersjas wanneer ze Sven ziet, die leek te hebben gevochten met een kettingzaag. Terwijl ze ons ventje bemoedigend toespreekt meldt de huisarts zich en geeft Sven en mij een hand. Terloops instrueer ik mijn andere kinderen om in de wachtkamer te blijven wachten en beloof veel ijs met meerdere bolletjes. Ik vraag de huisarts heel vriendelijk of ze instemt met de online-aanwezigheid van Marleen. Wanneer Marleen aangeeft eveneens arts te zijn, lijkt er tussen beide vrouwen iets te ontstaan. Beide dames delen wat beleefdheden en smijten vervolgens met medisch vakjargon. Ik voeg slechts toe dat het inderdaad wel een ‘enorme Jaap’ is. Sven kijkt me bezorgd aan met zijn grote ogen. De huisarts doet haar werk goed en hecht de wond nauwkeurig (iets dat ik bemerk aan de reacties van Marleen). In de ene hand heb ik Svens klamme hand vast en in de andere hand registreer ik het geheel via facetime.

Een half uur later zit ik met het gehele stel bij de beste ijssalon van Oldenzaal. In een kakofonie van kinderstemmen worden de namen stracciatella, smurfen, pistache en limoncello moeiteloos de salon ingeslingerd. Sven doet mee met een enorm gaasje op zijn voorhoofd en in zijn nog steeds roodgekleurde horrorshirt. Wanneer we onze gekozen ijsjes aanvallen op een groen bankje gaat mijn telefoon weer. Het is Marleen. Terwijl ik dacht dat ik de gehele crisis prima had bezworen volgt een ondervraging. “Reageert hij alert? Is hij duizelig? Waarom belde je niet meteen? Waarom koos je voor deze huisarts? Was er een net om de trampoline gespannen? Hoe ver stond de trampoline van die muur af? Had je het van tevoren wel gecheckt? Zijn er daar meer gevaarlijke situaties op die camping? Was er toezicht bij die trampoline? Welke pijnstillers heb je bij je?” Ik bemerk dat ik de meeste vragen stamelend van ‘ik weet het niet zo goed’ voorzie. Na hele duidelijke richtlijnen over ’s nachts wekken, niet-zwemmen en een voorlopig trampolineverbod sluit ik het gesprek af met mijn vaderlijke woorden dat het allemaal vast wel goed komt. Ik zak zuchtend achterover op het bankje terwijl het gesmolten bosbessenijs langs mijn hand lekt. Sven vraagt: “He pap, wat is eigenlijk een enorme Jaap?”  Ik zeg wederom dat ik het niet zo goed weet. We delen een blik, glimlachen en likken aan ons ijsje.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.